De tijd vervliegt

De tijd vervliegt

Hij wijst en zij lopen.
Hij zegt en zij doen.
De hond is van hem en de tuin.
Het boek is van hem en de buik.
De vrouw is van hem en het mes.
Het huis is van hem en de stem.
Hij denkt en zij zwijgen.
Hij kijkt en zij lachen hem toe.

Hij heeft alles, is alleen.
Hij loopt over land.
Hij loopt over strand.
Hij schept adem
en schept zand.
Hij loopt in de zee en
de golven gaan mee.

Daar in het diepe water dat hem wiegt,
voelt hij de schaduw van een man
die woorden krast in meerschuim.
Hij leest: De tijd vervliegt.

Hij kent die woorden van De Groot
- zeventiende-eeuws wonderkind
dat de zee zijn rechten gaf -
somber helder lotgenoot.

Het is de zee die altijd trekt
- dat diep verborgen groot geheim -
oorsprong die opnieuw
zijn diepste bron tot leven wekt.

Zacht en kalm – het is een biecht -
zinkt hij, zingt hij:
wees trouw aan jezelf,
de tijd vervliegt.

(© Michel Meissen, De zee is van iedereen (verzamelbundel), september 2009)