Tekstfragmenten

Tekstfragmenten uit 3 monologen:

De waarheid is naamloos. Leven en denken van Benedictus Spinoza

Tekstfragment 1:

Zorgvuldig noteer ik eigen gedachten… spreek met bekenden uit de joodse gemeente. Ik praat, praat, praat... Blikken verharden.
(vindt een document. Haalt lint er af, rolt het uit. Mompelt) Van de anders zo bedachtzame bestuurders van onze synagoge… (leest)

'Volgens het besluit der Engelen en het oordeel der Heiligen… … Wij doen u weten hoe we sinds lang kennis hebben genomen van de slechte meningen en werken van Baruch d’Espinoza… … Banvloek, wegens gruwelijke ketterijen.

… Wij wijzen erop dat niemand zich tot hem mag richten in woord en geschrift, dat niemand hem enige gunst mag verlenen, onder één dak met hem verkeren, binnen een afstand van vier el bij hem mag zijn of enig geschrift dat door hem is vervaardigd lezen mag.'

(rolt document op, strikt lint, bergt het op. Peinzend) Minstens vier el van mij vandaan… (zet stappen, kijkt naar afstand, trekt conclusie) … Wat heb ik misdaan?!

Besluit van Engelen? Nemen engelen besluiten? Oordeel van Heiligen? Hebben zij gelezen wat ik schreef? Waaraan heb ik dit schrijven te danken? Omdat ik ontken dat de Bijbel Gods woord is?… De Bijbel is een prachtig mensenwerk!

Constantijn Huygens (1596 – 1687)
Diplomaat en levensgenieter

Tekstfragment 1:

Ik krijg les in wetenschappen, talen, tekenen, muziek, bespeel viola da gamba, de luit en de viool. Vader leert ons schoonschrijven, want: men kent het leven niet en daarmee is altijd een bescheiden levensonderhoud te verdienen. Een jonge Brusselaar wordt onze huisgenoot. Hij doet alsof hij geen woord Nederlands verstaat. We spelen, wandelen, praten met hem. Vader en moeder spreken in gezelschap altijd Frans. Zo leert een kind snel… Dagelijks schrijven we een opstel. Vader verbetert, bespreekt de inhoud met ons. Ik leer Latijn, ben elf, schrijf Latijnse verzen, leer wiskunde, schaatsenrijden, paardrijden, leer alles over paarden en hun onderhoud in de stallen van stadhouder Maurits.

Tekstfragment 2:

Mijn zoon Constantijn woont op Hofwijck, verhuist met vrouw en kind naar een eigen woning. In het dorp Den Haag spreekt men er schande van dat zij mij alleen laten. Ik begrijp hun keus, begin aan mijn laatste grote Nederlandse gedicht: Cluys-werck. Het verhaalt hoe een oud welgesteld man muziek maakt, werkt in zijn bibliotheek… Ik zet het op als brief aan een vriend… vertel hoe de oude man met zoon, dochter en kleinkind samenwoont, hoe zij besluiten om te verhuizen, wel dichtbij… hoe hij bidt in de ochtend, dat geeft hem rust en kracht… hoe hij opdracht geeft om de koets klaar te maken en in te spannen… hoe hij even een dutje doet tot het voorrijden… hoe hij in de ochtend meestal in de Domeinraad van de prins is, luistert naar rijken en armen die de prins willen spreken: twee uur in de ochtend, twee uur in de middag en dan naar huis. Daar is het eenzaam… al heeft hij goed personeel… Hij wandelt met zijn hondje… geniet de vrijheid en rust van de oude dag… ziet het vogeltje dat op Hofwijck tussen de vensterramen nestelt… Zijn lief hondje Geckie laat hem alleen, een knecht begraaft de trouwe gezel vlakbij het huis.

Christiaan Huygens (1629 – 1695) Door rede en proef

Tekstfragment 1:

14 April 1629, vroeg in de morgen. Ik word geboren als tweede zoon van Constantijn Huygens en Susanna van Baerle. Vader bekijkt mij zorgvuldig, is verheugd dat ik een gave baby ben. Moeder zag kort vóór mijn geboorte vanuit de koets het mismaakte gezicht van een straatjongen, vreesde dit slechte voorteken… Tot mijn verbazing weersprak vader dat niet. Achterlijke bijgelovigheid past niet bij hem, noch bij mij. Mijn doel in het leven is: inzicht verwerven, helderheid scheppen.
Ik groei, maar blijf klein voor mijn jaren, heb een zachtaardig bijna vrouwelijk uiterlijk. Als ik acht ben, sterft moeder. Ik blijf sterk aan haar gehecht. Ben ik daarom nooit getrouwd?

Tekstfragment 2:

Koning Lodewijk XIV gunt mij als groot wiskundige en uitvinder een koninklijk jaargeld van zesduizend livres en een ruime woning in de Koninklijke Bibliotheek. Eindelijk een financieel succes! Ik schrijf mijn broer: het is beter en mooier dat de Franse koning het paard voedt waar ik op zit, dan in de Nederlanden oud te worden zonder iets te doen.
Marianne Petit, dochter van ingenieur Petit, doet al vele jaren de huishouding in het huis van haar vader. Ze heeft een scherpe tong en soms een heftige woede-uitbarsting. Ik teken haar portret. Wil ik haar gunst winnen? Ze is ongenaakbaar katholiek, maakt mij uit voor ketter.
Ik verlaat Parijs, ga naar Londen, ga naar Den Haag, schrijf een brief aan Marianne. Juffrouw, schrijf ik, ik weet niet of je je de man nog herinnert die in de afgelopen winter een paar keer de eer had je te mogen opzoeken, die een beetje met krijt kon tekenen en je portret wilde maken.
Ik ben verliefd, hopeloos verliefd. Broer Lodewijk brengt haar de brief. Haar antwoord is koel. Eind 1663 spreek ik haar weer, kom tot de slotsom: haar hoofd staat naar het gebed en het klooster...